Overdenking: diversiteit: een verschil tussen een mening hebben en het doen ervan (en dat kost tijd)

Tussen een persoonlijke overtuiging en het daadwerkelijk uitleven van die overtuiging gaapt vaak een kloof. Zo vind ik het belangrijk, zelfs noodzakelijk dat we met elkaar groener gaan leven. Maar ik blijf er moeite mee houden om minder vlees te eten, om niet te snel een nieuw apparaat te kopen in plaats van de oude te repareren. Een ander voorbeeld van zo’n kloof is die tussen de overtuiging dat culturele diversiteit een groot goed is om na te streven, maar dat we in ons eigen leven vooral in een sociale bubbel leven. Dus we vinden dat we met mensen uit allerlei culturen, met andere achtergronden, andere niveaus van opleiding, andere visies en meningen, andere seksuele oriëntaties, andere huidskleuren, moeten omgaan in ons dagelijks leven. Maar in de praktijk hebben we vrienden die op onszelf lijken, die hetzelfde zijn opgeleid, die dezelfde humor hebben, die dezelfde series kijken op Netflix en naar dezelfde muziek luisteren. Samen met onze eigen familie en collega’s vormen die relaties onze sociale bubbel. Met echt andersdenkenden komen we nauwelijks in aanraking.

Een andere ontwikkeling die ik hiernaast wil leggen is die van de erosie van het verenigingsleven. De fanfares, de verenigingen van de politieke partijen, de vakbonden, de sportverenigingen, de kerken: ze lijden allemaal – decennialang - aan ledenverlies en aan een chronisch gebrek aan vrijwilligers. Er zijn veel verklaringen voor te vinden, maar een belangrijke is die van het steeds sterker wordende individualisme (in de V.S. noemen ze het al hyperindividualisme). Het leven van de groep is ondergeschikt geworden aan het eigen, individuele leven. Stond het leven van een kind vroeger in zekere zin al vast (boer wordt boer, arbeider wordt arbeider, vrouw wordt huisvrouw), nu moet alles uit jezelf komen. Jij beslist. Dat heeft heel veel vrijheid gegeven waar we ontzettend blij mee zijn. Maar de keerzijde is o.a. dat we ons niet of slechts kort willen committeren aan georganiseerde verbanden (behalve ons werk: het groepsverband dat ons betaalt en vaak veel zin en betekenis geeft). Verenigingen en kerken moeten het hebben van de mensen die zich bewust committeren en zo continuïteit geven aan die verbanden. En juist onder de jongere generaties zijn die moeilijk te vinden.

Kerken en verenigingen zijn in principe de plaatsen in de samenleving waar diversiteit daadwerkelijk uitgeleefd kan worden, waar mensen uit hun sociale bubbel moeten stappen. Het zijn ook de plaatsen waar oudere en jongere generaties met elkaar in gesprek moeten gaan over oud en nieuw: wat hebben we nodig om mee te gaan met onze tijd? Waarin minderheden hun steentje bijdragen en zo invloed hebben op het geheel, zodat ook zij zich er thuis kunnen voelen. In jouw sociale bubbel kun je hoog van de toren blazen als het gaat om gelijkheid en diversiteit, maar op de voetbalclub moet de vrijwilliger echt omgaan met andere culturen, gewoontes en gedrag. En dat is soms ronduit frustrerend (voor alle betrokken partijen), maar het wordt pas wat als je volhoudt en je aan elkaar committeert. Als alleen de oude van dagen de kerken en verenigingen blijven dragen, uit een ouderwets plichtsbesef, dan slinkt de ruimte voor jongere generaties en minderheden om invloed op het geheel uit te oefenen en zich er dus thuis te kunnen voelen. Dat betekent dus ook dat jongere generaties bij deze vragen stil moeten gaan staan en zich af moeten vragen: welke rol speelt de vereniging of kerk in mijn leven? Hoe belangrijk vind ik het dat het blijft bestaan? Hoeveel tijd mag het mij kosten en wat moet ik daarvoor aan andere activiteiten opofferen?

Uit onderzoek blijkt dat het doen van vrijwilligerswerk, het lid zijn van een groepsverband of netwerk dat je sociale bubbel overstijgt, een mens goed doet. Je inzetten voor het collectief, voor anderen, geeft zin en betekenis aan het leven en daarmee vreugde. Het staat haaks op een leven waarin het individuele belang als eerste telt. Als alle keuzes daarop worden gebaseerd, dan liggen ervaringen van leegte op de loer, van eenzaamheid ook.

Ik geloof dat de kerk in deze zin een bijzondere oefenplek is voor diversiteit. Natuurlijk, juist ook kerken lijden aan ongewilde verstoffing als jongere generaties geen deel meer uitmaken van de dynamiek (wat in Baambrugge niet het geval is, gelukkig) en als we niet oppassen wordt een kerk cultureel ook te eenkleurig. Maar de kerk is bijzonder omdat we geloven dat Jezus Christus ons tot kinderen van dezelfde Vader maakt en daarmee tot zussen en broers van elkaar. De onderlinge verschillen blijven bestaan en dat blijft soms frustrerend. En we moeten ze ook niet wegpoetsen. Maar de kerk weet van een hogere liefdesorde, waarin we aan elkaar gegeven zijn in Jezus’ naam, verbonden door de Geest.  En één van zijn mooiste gaven is die van de vergeving. Het medicijn bij conflicten die anders maar blijven duren.
terug